Altijd onweer

Altijd onweer

Leeftijd: 12-14 jaar

Met een knal vliegt het metalen deurtje van het elektriciteitskastje dicht. Ik vlieg overeind. Het is alsof de bliksem vlakbij ons inslaat. Ik durf mijn hoofd niet te draaien en mijn lichaam voelt stram van de kou en de spanning. Voor de zesde keer op vakantie in Slovenië. Al vanaf de zomer dat ik acht jaar werd, gaan we hier jaarlijks naartoe.

Nu zijn we boven op een berg, bijna dan. Daar zitten we met z’n vijven in een stoeltjesliftje, achter elkaar, een Eifeltoren hoog vanaf de grond. Als een set bedeltjes aan een armband. Mijn vader, mijn oom, ik, een onbekende meneer en daarachter zijn zenuwachtig schuivende zoontje.

Het weer leek ’s morgens nog zo mooi. Na de regen die ’s nachts was gevallen, rook de wereld gronderig en naar vers gemaaid gras. Als een lentedag vroeg in de ochtend. Nu niet meer. De wolken zien er angstaanjagend uit, donkergroen met paars. Mijn oom zei nog dat het weer in de bergen zo kon veranderen. Hij heeft gelijk.

De lift met de felgekleurde rode stoeltjes is net stilgezet. Vanwege het onweer. En nu hangen we daar. Koude rillingen gaan door mijn lichaam als elektriciteit door een draad. Ik kijk naar beneden en onder mijn voeten zie ik alleen heel in de verte struiken en gras.

Grote druppels regen vallen naar beneden. Al snel is mijn korte vale spijkerbroekje en roze katoenen hemdje doorweekt. Als natte doeken hangen de kledingstukken op mijn lijf.

Waarom wilde ik eigenlijk mee? Ik had ook beneden kunnen blijven bij mijn moeder, tante en nichtjes. Ik moest weer zo nodig met mijn vader mee, nieuwsgierig als ik was naar wat daar boven op die berg zou zijn. Helemaal beneden zag de berg er zo prachtig uit met de rotsachtige toppen vol sneeuw en ijs. Het was alsof ik voor het eerst weer bergen zag. Dus ging ik als stoer meisje mee met de kerels naar boven. Zo stoer voel ik me nu niet meer. Ik voel mijn ogen waterig worden en kijk naar beneden. De afstand tot de grond lijkt nu zelfs nog verder dan even ervoor.

De volgende klap onweer gaat via mijn oren door het hele lichaam. Er komt er een vreemd geluid uit mijn keel. De kreet van een gewond knaagdier. De bliksem heeft het dit keer niet op het kastje voorzien, maar een ander doel uitgekozen. Mijn ogen en neus volgen de rokerige brandgeur en ik zie een klein houten schuilhutje: het volgende slachtoffer.

De tijd sloft voorbij. Mijn vader roept naar mij dat het allemaal goed zal komen. Mijn oom, de ervaren bergwandelaar, weet het antwoord niet als mijn vader hem vraagt of de bui blijft hangen tussen de bergen. Hij haalt zijn schouders wat schokkerig op. Zowel mijn oom als vader schuiven onrustig heen en weer op de stoelzitting. Hun kleding is een aantal tinten donkerder door de regen.

Met een paar stevige schokken komt de lift in beweging en net zo plotseling staat hij weer stil. Mijn billen schuiven over de glibberige en natte stoelzitting van rood kunststof. Even denk ik dat ik naar beneden ga vallen, zó onder de metalen buis door die hard en koud tegen mijn maag drukt.

De hemel heeft een enorme bak water op de kop gezet. Van aparte druppels kun je niet meer spreken. Met bevende en ijskoude vingers probeer ik de drijfnatte slierten haar uit mijn ogen te houden. Het lijkt alsof ik onder water zwem met mijn ogen open.

Bibberig gaat het stoeltje eindelijk weer vooruit. Mijn vader kijkt triomfantelijk om en steekt zijn duim op. Mijn duim lijkt niet meer van mij te zijn, net als mijn benen en armen. De kou trekt van beneden naar boven en alleen mijn wangen voelen nog warm. Gelaten staar ik naar mijn knieën.

Een donkere man met verweerd gezicht tilt mij in het bergstation uit het stoeltje en wrijft met zijn ruwe eeltige handen over mijn kletsnatte bovenarmen. Met een vriendelijke gezicht mompelt hij wat onverstaanbaars. ‘Mujca,’ zegt hij nu wat harder tegen mij, drie keer achter elkaar. Zo heet hij. De lichtblauwe handdoek die ik van hem krijg, voelt dun en korrelig aan. Voorzichtig hang ik hem om mij heen.

Onze auto staat op de parkeerplaats alsof er niets is gebeurd. De zwarte neplederen bekleding heeft nog nooit zo warm en veilig gevoeld. Ik nestel me in de hoek van de achterbank. Mijn koortsige wangen druk ik met een zucht tegen het koele raam.

‘Dat was nog eens onweer,’ zucht mijn vader en hij knipoogt naar mij. Ik knik maar wat en doe mijn ogen dicht. De energie stroomt uit mij weg als water door een doucheputje. Ik adem rustiger en mijn lichaam ontspant zich. Mijn oogleden voelen zwaar als beton en het geluid van de automotor klinkt zachter en zachter…

Met een knal vliegt het metalen deurtje dicht van het elektriciteitskastje. Ik vlieg overeind.