Nooit meer zwemles

Nooit meer zwemles

‘Jasmijn!!! Waar ben je?’ De harde stem van de badmeester echode door de gangen van het zwembad. ‘Jasmijn!’ Ook haar moeders hoge trillende stem riep haar naam. Jasmijn drukte zich nog verder tegen de muf ruikende kartonnen doos aan en mompelde: ‘Ik ga nooit meer naar zwemles.’

Jasmijn zuchtte. Ze was weggerend op het moment dat ze haar badpak aan had moeten trekken in de kleedkamer: De kelder in, door de lange donkere gang. Aangekomen bij het berghok had ze de sleutel in het sleutelgat zien zitten, had deze eruit gehaald en voorzichtig de deur opengedaan. Meteen had ze de deur van binnenuit op slot gedraaid.

Het was er aardedonker. Een klein streepje licht viel door een kapot raampje. Dit was een goede plek om onvindbaar te zijn. Naast een doos met oude rommel was Jasmijn neer gezakt,  haar hoofd op haar knieën.

Jasmijn

Het stof in de kelder kriebelde in haar keel. ‘Niet hoesten, niet hoesten’, mompelde ze. De lage stem van de badmeester veranderde in een zachte brom in de verte. Het geklikklak van haar moeders hoge hakken was nog amper te horen. Langzaam richtte Jasmijn haar hoofd op en keek de donkere kelder in.

‘Nooit meer naar die stomme zwemles. Ik lijk wel een reus tussen al die kabouters. Ik sta gewoon voor aap! Ik ben al acht en de meeste zijn nog maar vier.’ Jasmijn sprak zacht in haarzelf. Snel veegde ze een traan van boosheid weg. Ongedurig schoof Jasmijn heen en weer. Haar billen begonnen koud te worden. Hoe lang zou ze hier moeten blijven?

Opeens klonk vlakbij geschuifel. Jasmijn keek in de richting van het geluid. Weer hoorde ze geluid, nu geritsel. Jasmijn voelde hoe haar spieren verstijfden. Haar hart begon te kloppen in haar keel.

‘Hallo?’, fluisterde Jasmijn voorzichtig. Ze wilde niet nu al gevonden worden. Weer hoorde ze geschuifel. ‘Hallo!’, Jasmijn probeerde haar stem stevig te laten klinken. ‘Is daar iemand?’

‘Werkelijk, het is toch allemaal wat zeg …’ Jasmijns ogen waren groot als schotels. ‘Wie is daar?’ Jasmijn schoof dichter naar de vochtige kartonnen doos. Ze zag een donkere schaduw naast haar. Een schaduw zo groot als de tuinkabouter van haar oma bij de voordeur.

CarlosII

De schaduw begon te praten. ‘Goedemiddag vreemd mensenkind met twee benen. Mijn naam is ridder Carlos uit Ratalonië. Ratalonië ligt aan de overkant van het blauwe meer. Als ik u niet ongerief, bent u misschien van de ratten besnuffeld?’

Langzaam raakten Jasmijns ogen gewend aan de schemer en ze zag de schaduw tot leven komen. Naast haar stond een rat. Een pratende met een helm op zijn kop. In zijn voorpootjes hield hij een lans vast. Zijn lange staart schoof traag over de stoffige vloer van het berghok.

Stotterend antwoordde Jasmijn: ‘Een rat die praat?’ Carlos leunde nonchalant tegen zijn lans. ‘Ik zie dat u niet bekend bent met het fenomeen pratende ratten?’ Jasmijn schoot in de lach. ‘Wat ben je een raar beest! Belachelijk … een pratende rat!’

‘Je! Je! Voor jou is het ridder Carlos en U.’ Carlos stampte met zijn achterpoten. Stofwolkjes stegen omhoog. ‘Respect voor ons ratten graag. Jij bent groot en misschien niet idioot. Maar klein is ook fijn. Ratten zijn de intelligentste onder de levende wezens. Een uil intelligent? Laat me niet lachen! Zijn woordenschat komt niet verder dan oehoe en hij eet veldmuizen. Dat getuigt werkelijk niet van een grote geest!’

Carlos R

Met een harde klap zette Carlos zijn lans rechtop. ‘Wat doe jij hier? Naast commentaar hebben op nobele ratten? Ik kom hier vaak en meestal ben ik hier alleen.’

Jasmijn liet haar schouders zakken. ‘Ik wil niet naar zwemles.’ De helm van Carlos zakte naar voren op zijn spitse snuit. ‘Zwemles?’ Jasmijn duwde voorzichtig zijn helm weer op zijn kop. ‘Ik kan niet zwemmen. Niet goed in ieder geval.’

Carlos deinsde naar achteren. ‘Je kunt niet zwemmen? Hoe is dat mogelijk! Van alle kwaliteiten die je als levend wezen kunt hebben, is zwemmen toch wel één van de allerbelangrijkste.’ Carlos trok bedachtzaam zijn spitse neus op. ‘Naast knagen en overal doorheen kruipen dan… Waarom kun jij nog niet zwemmen?’

Jasmijn boog haar hoofd en mompelde: ‘Ik durf niet zo goed. En mijn moeder vindt dat ik het moet leren. Maar er zijn alleen maar kleintjes bij de zwemles.’

‘Klein is fijn. Al is groot niet idioot!’ schreeuwde Carlos. Hij liep rood aan en slaakte een diepe zucht. ‘Je durft niet? Dat is vervelend. Je wilt niet voor veldmuis staan tijdens de zwemles.’ Jasmijn schudde sip haar hoofd. Carlos zag een traan in haar ooghoek zijn best doen om verstopt te blijven. ‘Lief mensenmeisje, durven is een kwestie van doen. Ga met mij mee naar het blauwe meer. Ik zal jou leren zwemmen als een rat!’

‘Blauwe meer? Waar is dat?’ Jasmijn keek Carlos verbaasd aan. ‘Door het gat in de muur en rechtdoor. Kom maar mee!’

Jasmijn slofte achter Carlos aan. Een paar seconden later stond hij stil voor een gat in de muur. Jasmijn keek verbaasd naar het gat. Naast dat ze deze nog niet gezien had, was het maar klein. ‘Daar kan ik toch niet doorheen?’ Vertwijfeld haalde Jasmijn haar schouders op. ‘Je maakt het gat gewoon groter, gewoon doen.’ Carlos ging haar voor.

Gat in de muur R

Voorzichtig pakte Jasmijn de zijkanten van het gat in de muur en duwde, duwde. Ze kon er al heel snel doorheen. Jasmijn schrok van de dikke staart die Carlos opeens leek te hebben. Carlos draaide zich om en Jasmijn gaf een gil. Carlos was opeens bijna net zo groot als haar. Was het gat groter geworden of zij juist kleiner? Ze trok haar schouders op.

Ze kropen door een soort tunnel en kwamen bij een tweede gat naar buiten. Na elkaar kropen ze er doorheen. Jasmijn viel zacht in het gras en het heldere daglicht prikte in haar ogen. Het gras rook groen. Voor haar lag het blauwe meer. Dat was duidelijk. Nog nooit had ze dit meer gezien.

‘Zo, die rare lappen uit. We gaan het water in.’ Jasmijn merkte dat ze het niet erg vond om haar kleren uit te doen. Ze stapte het water in en zakte tot haar buik in het water. Het voelde prettig fris na de stoffige kelder.

Carlos dook sierlijk in het water en zwom naar Jasmijn. ‘We beginnen met de rugslag.’ Carlos’ snuit stond ernstig. ‘Dat is het snelst geleerd.’ Carlos deed de slagen voor als een volleerd zwemmer. Jasmijn deed alles na. Samen oefenen ze tot Jasmijn het alleen kon.

‘En nu op je buik!’ Carlos voelde zich als een rat in het water. Door het enthousiaste voordoen van Carlos leerde Jasmijn snel. Ze vergat dat ze bang was. Zwemmen was veel leuker dan Jasmijn had gedacht!

Een tijdje speelden en oefenden ze door in het heldere blauwe water. Carlos zag dat Jasmijn het koud begon te krijgen. Ze rilde. Ze klommen uit het water en schudden zich droog. In het zonnetje lieten ze tevreden de laatste druppels verdampen.

‘Tijd om te gaan mensenkind. Je zwemt nu als een rat!’ Jasmijn trok haar kleren aan en Carlos pakte zijn lans.

Voorzichtig sloeg Jasmijn haar armen om de kleine dappere rat heen die nog steeds een stuk groter leek. ‘Dank je wel lieve Carlos. Zie ik je nog eens terug?’ Carlos schuifelde ongemakkelijk heen en weer. ‘Als je me weer wilt zien, zoek me dan in het berghok. Ik kom er vaak!’ Stoer rende hij weg.

Na het korte afscheid kroop Jasmijn door het eerste gat de tunnel in. Ze klom met weinig moeite door het tweede gat en was terug op de plek waar ze Carlos had ontmoet. Het berghok leek donkerder dan ooit. ‘Misschien is het al avond.’ Jasmijn zakte moe van het avontuur door haar knieën en ging zitten.  Ze legde de zijkant van haar hoofd tegen de kartonnen doos van eerder. ‘Even uitrusten’, zei ze zacht tegen haarzelf. ‘Dan ga ik mijn moeder zoeken.’ Jasmijns oogleden voelden zwaar.

Al snel vloog Jasmijn van schrik omhoog. Het gebons op de deur klonk hard en paniekerig. Ze hoorde de basstem van de badmeester en het vertrouwde geluid van haar moeder. ‘Jasmijn, ben je daar? Jasmijn!!’ Jasmijn wreef in haar ogen en pakte de sleutel uit haar broekzak. Voorzichtig stak ze de sleutel in het slot en opende de deur. ‘Oh Jasmijn!’ Haar moeder sloot Jasmijn blij in haar armen. ‘Ik was zo ongerust!’ De badmeester slaakte een diepe zucht, draaide zich om en liep hoofdschuddend naar boven.

‘Als je het echt zo vreselijk vindt, hoef je van mij nooit meer naar zwemles!’ Jasmijn glimlachte naar haar moeder. ‘Mam, ik ben groot en niet idioot. De anderen zijn klein en dat is fijn. Zwemmen is een enorm belangrijke kwaliteit. Durven is gewoon doen. Ik wil zwemmen als een rat en ben geen veldmuis. Ik ga naar zwemles.’

Jasmijn zag haar moeders blije ogen. ‘Gek kind.’ Hand in hand liepen ze samen naar buiten.

https_anaisallemeersch.files.wordpress.com201412olifant