Werken in je Onesie

Natuurlijk kan ik als thuiswerker legio redenen opnoemen waarom het zo geweldig is om vanuit huis te werken. Vol passie kan ik vertellen over hoe gefocused ik thuis met een taak bezig kan zijn, over hoe handig ik het vind om mijn eigen tijd in te kunnen delen. En ook hoe je met een gerustgesteld geweten terwijl je verontschuldigend je schouders ophaalt – tja werk he? – ‘s avonds nog kunt computeren. Met enorme overtuigingskracht kan ik pleiten voor het werken op afstand.

Vanochtend schoot opeens voor mij de aller allerbelangrijkste reden te binnen: Je kunt gewoon in je joggingbroek aan het werk gaan. Of in je Onesie…

Geen kledingkastprobleem

Niet dat ik nu in mijn joggingbroek aan de computer zit, of in mijn Onesie, maar in mijn hardloopkleding. En zoals gewoonlijk heb ik daar duizenden redenen voor. Heel simpel gezegd: het is verdomd handig, als ik straks na een paar uurtjes werk, zo naar buiten kan hollen. Maar goed, hardlopen doe ik echt niet iedere werkdag. Het gaat om de grenzeloze vrijheid die de joggingbroek-onesie-thema mij geeft. Het kan.

Geen collega’s die iedere ochtend goedkeurend of kritisch bekijken wat jouw kledingkeuze voor vandaag is. Niet ‘s ochtends uren staren in een veel te volle kledingkast en toch maar niet het juiste setje kunnen kiezen, omdat één deel ervan in de wasmand ligt. Gewoon de joggingbroek … of die Onesie dan …

Niemand in de buurt. En ga ik Skypen, Facetimen of bellen? Ach, ik ben toch maar half in beeld. De onderste helft verdwijnt onder mijn bureaublad. Het heeft zo zijn voordelen.

De aan/uit knop

Toch heeft deze medaille een keerzijde. Er is namelijk niemand in de buurt die mij op mijn vingers tikt wanneer ik vol overgave uit het raam zit te staren. Niemand geeft mij het doorslaggevende zetje in de rug om dat vervelende telefoontje af te handelen. Het vraagt wel zelfdiscipline.

Als een lichtknopje hebben wij mensen ook een aan/uit knop. Ik in ieder geval wel. Of we zijn aan hard aan het werk, of we zijn hard aan het werk om niet aan het werk te hoeven.

De kat van de onderburen heeft aandacht nodig, de net genoemde kledingkast moet opgeruimd, of de bromvlieg aan de andere kant van het raam is toch wel ontzettend interessant. En dan start de dag wel eens zo:

Zo, computer aan, programma’s opstarten, ik heb er weer zin in, even kijken … OH SJIPS, KOFFIE VERGETEN…, mailbox openen … EIGENLIJK KAN IK BETER ALVAST DE WASMACHINE AANZETTEN, DAT SCHEELT ZO …., eh, waar was ik ook alweer mee bezig? Oh ja, de mailbox … WAT IS DE BUURMAN NU AAN HET DOEN IN DE VOORTUIN? … Marjon kom op zeg, geen dringende mails, CRM-systeem opstarten … ZAL IK DE DRAAGBARE RADIO OPHALEN VAN ZOLDER? HET IS HIER ZO STIL … eh, wat zijn mijn taken voor vandaag? OH NEE, DE KOFFIE IS OP … Telefoonoortje in, ik ben er klaar voor … ‘HET IS NOG NIET ZOLANG GELEDEN DAT DE LUCHT NOG GRIJS WAS VÓÓR HET BEGON TE REGENEN’ … OH DIE MOET IK OPSCHRIJVEN … Eh, wat is het telefoonnummer? GING DAAR NOU DE BEL?

Zoiets

Werken vanuit huis

Vooral op maandag. Het overschakelen van het weekendgevoel naar nuttig bezig zijn, valt zo nu en dan zwaar. Gelukkig kan ik mezelf toespreken alsof ik mijn eigen motiverende collega ben en duurt het nooit lang. En ja, het is ontzettend gezellig als er een collega naast je aan het werk is waar je de roddels van de dag mee door kunt nemen. Maar het kledingkastprobleem komt dan weer om de hoek gluren.

Want als je vanuit huis werkt, kun je gewoon in je joggingbroek werken. Of in je Onesie …

Witte chocolade is geen chocolade!

Meestal gedraag ik mij behoorlijk netjes als het op eten en snoepen aankomt. Maar ook ik heb zo mijn zwakke plekken en daar is chocolade er één van. Het scheelt, ik ben in mijn liefde voor chocolade niet de enige en dat geeft veel steun. Zelfs mijn partner-die-we-verder-maar-niet-bij-naam-noemen zegt dat hij in meer of mindere mate ook van chocola houdt, maar dan van witte chocolade. Maar witte chocolade is geen chocolade. Puur moet het zijn, zo puur als maar kan.

Niet ‘zonder’

Over het algemeen eet ik tijden geen chocolade, denk er dan niet eens aan! Maar er zijn van die momenten dat ‘zonder’ niet in het woordenboek voorkomt. En dat snapt partnerlief dan weer niet helemaal. Hoezo moet het? Het is maar chocolade? Hoezo, chocolade een noodzaak?

Als ik op zo’n dag geen chocolade eet, dan kan ik niet studeren, niet meer virtueel werken. Ook niet lezen of me concentreren. Sterker nog, zelfs TV kijken wordt een hele opgave! Het lukt mij op die momenten niet mijn geduld te bewaren of een telefoongesprek aan te knopen. Behoorlijk lastig wanneer je meer dan de helft van je werktijd met bellen bezig bent. Tenen zijn opeens een stuk langer en een kop koffie of thee is zonder stukje chocolade de moeite niet meer waard.

Je wilt het niet weten …

Puur voor noodgevallen

Nou vandaag is het zo’n dag. Eigenlijk moet ik flink bezig met de studie, want er moet het een en ander afgerond. Maar concentreren lukt niet, de teksten en e-mails lijken opgesteld in het Arabisch, ik kan geen seconde stil blijven zitten en de koffie staat nu al voor de derde keer koud te worden.

Gelukkig heb ik voor zulke dagen een klein doosje met pure chocolaatjes, een soort EHBO-chocoladekit. En die ga ik nu maar eens inschakelen, dit is een noodgeval. Een vers kopje koffie met een puur chocolaatje erbij. Dan wordt alles weer een stuk beter, ik weet het zeker. De to-do-lijst lijkt een ‘piece of chocolate’, ik krijg het geduld van een Boedhistische monnik en ga werken als een paard. Pure chocolade, geen witte natuurlijk.

Want witte chocolade is geen chocolade!

Je zag me niet

Opeens zag ik je. Jij zag mij niet. De dikke lucht om mij heen dempte als een dot watten het geroezemoes en het geschuif van metalen stoelen over houten vloeren en rinkelende kopjes. Mijn lichaamstemperatuur huppelde van ijskoud weer terug naar bloedheet. Ik rook de venijnige geur van de koffie voor mij op tafel en keek nog eens in jouw richting.

Je was nog niets veranderd. Ach natuurlijk wel, maar ook weer niet. Terwijl je langs koffiedrinkende en appeltaart etende mensen liep, dwaalde je blik over iedereen heen. Ik zag alleen jou.

Zo lang geleden. Ik wilde opspringen en je achterna hollen, blij verrast jou omdraaien en roepen hoe geweldig het was om je weer te zien. Maar ik deed het niet. Mijn vingers verkrampten om de rand van het koude, metalen tafeltje. Je wist vast niet meer wie ik was. Zo vaak onzichtbaar, alsof de wereld weigerde mij te zien. Nooit geweten waarom dat was.

Maar jij. Je was mijn fluisterende liefde. Niemand die het wist. Een ijskoude hand lag om mijn hart en de nog veel te hete koffie weigerde langs de granieten brok in mijn keel te gaan.

Ik herkende je meteen, mijn lichaam herkende dat van jou al voordat mijn ogen jou hadden waargenomen. Ik moest naar je kijken. Ik moest je zien van mijn lichaam. En nu had  ik het zo koud dat ik over mijn hele lichaam trilde, alsof er één of ander reptiel zijn ijzige tanden in mijn lichaam zette. Dit had ik niet verwacht, die intensiteit. Ik viel in mijn eigen leegte met jouw beeld gegraveerd op mijn netvliezen.

Flarden van herinneringen schoten door mijn hoofd als kogels door de ijle lucht. Flitsen van jou, van vroeger, die ik al die jaren tijdens jouw aanwezigheid bij elkaar had gesprokkeld. Alsof ik al wist dat dit het enige zou zijn wat over zou blijven. Hoe je keek, je stem klonk, je glimlach, als een strohalm had ik mij eraan vastgeklampt om het maar niet allemaal zo maar te vergeten. Te bewaren op een plekje waar niemand bij kon.

De tijd was wreed en niet alles bleef bewaard. Toch wist ik niet dat er nog zoveel van jou in mij zat. Tot het moment dat ik je zag lopen. Ik voelde weer de sombere afzondering, de mateloze onbegrensde afstand tussen jou en mij.

De scherpe randjes waren in de afgelopen jaren afgesleten. Ik miste jou nooit meer zo als toen, vlak nadat jij weg was gegaan. Het oude leven was verdwenen, een nieuw leven gestart.  Maar waar hield het oude leven op en begon het nieuwe leven? Ik volgde jou met mijn ogen als een gulzig roofdier. Ik wist het niet meer.

Met iedere diepe zucht probeerde ik een stukje van dat verleden los te laten, een snippertje van jou te laten wegfladderen. Maar het leek alsof dat snippertje eigenwijs met iedere inademing weer dichterbij kwam. Het heldere geluid van het koffielepeltje in mijn kopje duurde langer dan de bedoeling was.

Zou ik opstaan en alsnog naar je toelopen? Ik deed het niet. Zo kon ik dit moment voor de rest van mijn leven nog alle kanten op laten gaan. En de herinnering aan jou kon gewoon weer een herinnering aan jou worden. Geen risico’s. Het was zoals het was. Een herinnering aan een fluisterende liefde. En ik wist dat die voor altijd voorbij was.

Langzaam zag ik je verdwijnen in de verte, nog steeds op zoek naar iets of iemand. Ik keek een andere richting op en spoelde met een slok koffie de laatste vage contouren van jouw beeld weg.

Jij zag mij niet.

De dromenvanger

De dromenvanger

Heel lang geleden woonde in Wakkerdam achter de wolken een klein dromer die Plum heette. Plum hield van dagdromen en vlinders vangen. Vlinders liet hij meteen vrij want zo was Plum.

Plum

Plum’s vader was een harde werker. Hij bouwde stevige boomhutten. De Wakkerdammers woonden al jaren in boomhutten. Elke dag klom Plum’s vader in hoge bomen, timmerde en zaagde er op los. Plum lag vooral te dagdromen. Soms ving hij toevallig een vlindertje. En liet deze meteen weer vliegen. Want zo was Plum.

Plum’s vader hield niet zo van al dat gedroom en geluier. Hij wilde dat Plum nadacht over een belangrijke vraag: ‘Wat wil ik later worden?’. Plum’s moeder, een lieve mollige vrouw met aardbeien-rode wangen vond het allemaal zo’n vaart niet lopen. ‘Blijf maar lekker dromen en genieten’, fluisterde zij in Plum’s oor en gaf hem een dikke knuffel. Want zo was Plum’s moeder.

Op een dag stootte Plum’s vader zijn hoofd aan een stevige tak en zijn teen tegen een boomwortel. Hij liep rood aan en riep boos naar Plum: ‘Jij gaat onze wijde wereld achter de wolken in en komt pas terug als je weet wat je later wilt worden. Klaar met al dat gedagdroom en geluier.’ Tja, zo was Plum’s vader.

Plum sprong op uit zijn diepe gemijmer, pakte een boterhammetje met appeljam en liep ietwat geschrokken en ontdaan het pad af. Waar moest hij naar toe? Sloffend liep hij langs twee spelende boselfjes. Ze zagen Plum slenteren en riepen: ‘Waar ga je heen Plum?’ Plum schudde triest het hoofd en snufte: ‘Ik weet niet wat ik wil worden.’

Twijgje en Wilgje R
Boself Twijgje viel met een plof op een rode paddenstoel met witte stippen en trok een denkgezicht. ‘Misschien moet je naar de Wolkenkrabber. Hij is erg lang en ziet daardoor veel. Misschien kan hij je helpen met jouw vraag?’ Twijgje wees wippend op de paddenstoel Plum de weg. Plum stapte stevig door. ‘Wie weet ben ik vanavond weer thuis en kan ik in mijn eigen bed slapen.’ Plum sliep nou eenmaal graag in zijn eigen bed.

‘Hallo!’ Plum schrok van een zware basstem. ‘Waar ga je heen Plum?’ Kreiger, de stoerste vogel van het land achter de wolken keek op Plum neer. ‘Ik ben op weg naar de Wolkenkrabber om hem te vragen wat ik later wil worden.’ Kreiger krabde bedenkelijk met zijn vleugel aan zijn vlieghelm en mompelde: ‘Aha, dat weet je dus niet. Lastige vraag. Nou, spring maar in het zadel op mijn rug. Ik breng je.’

Dromenvanger R

Een paar uur vliegen later minderde Kreiger zijn vaart en landde met een stevige plof bovenop een berg in het gras. Plum sprong van Kreiger’s rug en keek om zich heen. ‘Kijkerdekijk wie hebben we daar!’ Plum hoorde een heldere stem die van erg hoog kwam. Maar zag niets. Een rollende lach klonk van boven. ‘Hallo hallo wie ben jij? Ik ben de Wolkenkrabber. Lang van lijf en leden maak ik het wolkenleven beter. Ik krabbel de wolken bij kriebels. Heb jij wel eens jeuk gehad zonder armen en handen?’ Plum dacht even na en schudde nee. ‘Ik ben Plum’. De Wolkenkrabber zuchtte: ‘Tja … Wie is Plum? Wat doet Plum, waar gaat Plum heen en wat wil Plum later zijn?’

De wolkenkrabber R
Plum zag ver boven hem een vriendelijk gezicht, daarboven een hoge hoed en zuchtte: ‘Ik weet het niet. Dat is het nou net. Mijn vader wil dat ik weet wat ik later wil worden. Hij is boos. Omdat ik zoveel dagdroom en luier.’ De Wolkenkrabber fronste zijn wenkbrauwen: ‘Ik kan je maar een klein beetje helpen. Je krijgt een hint van mij en kunt daarna het beste op zoek gaan naar de Pientere Paljas. Hij helpt je vast verder.’

Plum zuchtte. Hij miste het dagdromen en vlinders vangen erg. Zo was Plum.

De Wolkenkrabber krabbelde wat aan een wolk een haalde er een spiegel uit. Deze was zo rond als een cirkel. Plum hield van rond. Plum hield van de zon en vooral van dagdromen en vlinders vangen in de zon. En de zon is rond. Plum keek in de spiegel en zei: ‘Ik ben Plum. Klein, luier en suf veel, vang vlinders en houd van de zon.

Rommeldebom. Er klonk een donderslag bij heldere hemel. Plum keek verbaasd rond. Wat was dat? Rond het hoofd van de Wolkenkrabber hingen witte wolken. Geen zwarte onweerswolken. Plum keek naar de spiegel in zijn hand en zag dat deze was veranderd in een vangnet. Hij begreep er niets van. De Wolkenkrabber boog voorover en fluisterde in Plum’s oor: ‘Neem het vangnet mee. En volg je hart. Vergeet dat niet. Dan komt het vast goed!’

Plum draaide zich om en botste tegen Kreiger aan. Kreiger snavelde: ‘Weet je het al?’ ‘Nog niet, maar ik weet wel wie ik ben. Ik heb in de spiegel gekeken. Ik ben Plum, klein, luier en dagdroom graag, ben goed in vlinders vangen. Ik moet nu naar de Pientere Paljas.’

Kreiger haalde zijn vleugels op. ‘Nou dat is dan maar wat. Spring maar bovenop. We gaan. Ik breng je wel.’ Blij sprong Plum op de rug van Kreiger. Hij hield zich stevig vast aan Kreiger’s nek. Even sloot hij zijn ogen. Hij miste het dagdromen en vlinders vangen. Maar hij had nu wel een mooi vangnet. Wat hij daar allemaal mee kon vangen! Plum opende zijn ogen en glimlachte breed.

Kreiger landde voorzichtig in een weiland met bloemen. Plum hield het vangnet stevig vast en gleed van de rug van Kreiger. ‘Heb je wel eens een koe een haas zien vangen?’ Grinnikte iemand in Plum’s oor. ‘Wat?’ Plum keek geschrokken opzij in de vrolijke ogen van de Pientere Paljas. ‘Ja, een koe een haas zien vangen is een kunde’, sprak de Pienter Paljas plechtig. ‘Wat kan jij? Ik kan grappen en grollen maken. Slimme grappen. Ik maak anderen aan het lachen of neem ze in het ootje.’

Pientere Paljas R
Plum keek vragend naar de Pientere Paljas. ‘Wat is een ootje?’ De Pientere Paljas rolde door het gras van het lachen. ‘Een kringetje, we maken een kringetje van jongens en van meisjes.’ De Pientere Paljas danste in het rond. ‘Maar ik houd ze ook graag voor het lapje?’ Grijnzend keek de Pientere Paljas Plum aan. ‘Wat voor een lapje?’ Plum begreep niets van de Pientere Paljas.

De Pientere Paljas stond op. ‘Alle gekheid op een stokje… Wat kan jij eigenlijk?’ Met een diepe frons tussen zijn ogen keek Plum de Pientere Paljas aan. ‘Ik weet niet wat ik kan. Mijn vader noemt mij een nietsnut, een dagdromer.’ De Pientere Paljas keek Plum aan en riep: ‘Je gaat een kunstje doen met de Losbol! Kijken of je de Losbol drie keer kunt laten stuiteren op je hoofd. Misschien schudt jouw hoofdje zo stevig dat je het antwoord weet!’

‘Ach ja, waarom niet?’ mompelde Plum en stuiterde de Losbol met gemak drie keer op zijn hoofd. Hij wilde dit nog een keer doen, maar de Losbol was opeens verdwenen. Wel voelde zijn hoofd heerlijk warm. Opeens zag Plum een vlinder en kon het niet laten deze te vangen met zijn nieuwe vangnet. ‘Mmmm, wel handig.’ Plum liet de vlinder weer vrij. Want zo was Plum. Hij keek om zich heen maar de Pientere Paljas was verdwenen.

Sloffend liep Plum terug naar de plek waar hij van de rug van Kreiger was gesprongen. Kreiger stond trouw op hem te wachten. ‘En? Weet je al wat je wilt worden?’ Plum schudde zijn warme hoofd: ‘Ik ben Plum, klein, dagdromer, kan goed vangen en heb warme oren.’ Kreiger wees naar Plum’s hoofd. ‘Geen wonder, je hebt een prachtige slaapmuts op!’ Plum voelde aan zijn hoofd en knikte nadenkend. ‘Ja dat past wel bij een dromer. De Losbol is veranderd in een warme slaapmuts.’

‘En nu?’ De Kreiger keek Plum afwachtend aan. Plum haalde zijn schouders op en sprong op de rug van Kreiger. ‘Volg mijn hart maar!’ Kreiger klapwiekte. ‘We gaan naar de blauwe Magiër. Die heeft het antwoord op alle vragen.’
De blauwe Magiër zat zoals gewoonlijk wat heen en weer te toveren met zijn rug tegen een boom. Plum vertelde hem zijn vraag en hij antwoordde vriendelijk: ‘Doe je ogen eens dicht, kijk naar binnen in je hart en vraag aan jezelf wat je wilt.’ Plum mompelde zijn grote vraag. Ondertussen zwaaide de blauwe Magiër met zijn toverstaf boven Plum’s slaapmuts. Het zag er best interessant uit.

De magiër R

Plum krabde aan zijn neus. ‘Ik wil dat dromen bewaard blijven. Als mensen en dieren dromen vergeten ze ze veel te snel. En dromen zijn vaak zo mooi. Ik kan goed vangen met mijn vangnet. Als ik ’s nacht de dromen ga vangen heb ik warme oren door mijn nieuwe slaapmuts. Dat zou ik willen, prettige dromen vangen en ze terug sturen naar de mensen. Vooral als ze verdrietig zijn. Ik volg mijn hart, weet wie ik ben en wat ik kan. Ik ben een echte dromenvanger. Ik wil de mens blij maken.’ Want zo was Plum.

De magiër was zo onder de indruk dat hij zijn toverstaf aan Plum gaf. ‘Prachtig. Met mijn toverstaf kun je de dromen terugsturen naar de dromers, dag en nacht. Vang ze in je net en tover ze terug in de hoofden van de mensen. Maak de mensen blij! Want zo ben jij.’

Plum bedankte hem en vloog op de rug van Kreiger terug naar zijn boomhut. Zijn ouders waren erg onder de indruk van zijn verhaal. Plum’s moeder knuffelde hem en zijn vader was niet langer meer boos. Plum volgde zijn hart en wist wat hij wilde zijn.

Om het droomverhaaltje uit te blazen:

Ze leefden nog lang en gelukkig in Wakkerdam ver achter de wolken.

https_anaisallemeersch.files.wordpress.com201412olifant

Beekse Bergen

 

Beekse Bergen R

Beekse Bergen

Drie giraffen op een berg

In een beek zoals je ziet

Het lijkt misschien wel niet zo erg

Wie weet is het dat ook niet

Het water al tot aan de lippen

Staan ze zenuwachtig heen en weer te wippen

Ach wat, sprak de karper in de beek

Ik maak me niet zo druk

Ik lig al jaren in de week

Raak toch ook niet van mijn stuk?

Maar giraffen hebben echt geen vinnen

En aan zwemmen gaan ze echt niet beginnen

Hé zeg, ik sla mijn vleugels uit

Krijste de meeuw vanuit de lucht

En knijp er wolkig tussenuit

Daar ben ik zeker om berucht

Vliegen zit er bij giraffen echt niet in

Met zo’n lange nek tot aan de kin

Wat zijn we toch een stel malloten

Niet al te slim of bijdehand

Giraffen hebben lange poten

Kunnen lopend droog naar de overkant

Op hoge poten door het water en sindsdien

zijn ze in de Beekse Bergen niet meer gezien

Altijd onweer

Altijd onweer

Leeftijd: 12-14 jaar

Met een knal vliegt het metalen deurtje van het elektriciteitskastje dicht. Ik vlieg overeind. Het is alsof de bliksem vlakbij ons inslaat. Ik durf mijn hoofd niet te draaien en mijn lichaam voelt stram van de kou en de spanning. Voor de zesde keer op vakantie in Slovenië. Al vanaf de zomer dat ik acht jaar werd, gaan we hier jaarlijks naartoe.

Nu zijn we boven op een berg, bijna dan. Daar zitten we met z’n vijven in een stoeltjesliftje, achter elkaar, een Eifeltoren hoog vanaf de grond. Als een set bedeltjes aan een armband. Mijn vader, mijn oom, ik, een onbekende meneer en daarachter zijn zenuwachtig schuivende zoontje.

Het weer leek ’s morgens nog zo mooi. Na de regen die ’s nachts was gevallen, rook de wereld gronderig en naar vers gemaaid gras. Als een lentedag vroeg in de ochtend. Nu niet meer. De wolken zien er angstaanjagend uit, donkergroen met paars. Mijn oom zei nog dat het weer in de bergen zo kon veranderen. Hij heeft gelijk.

De lift met de felgekleurde rode stoeltjes is net stilgezet. Vanwege het onweer. En nu hangen we daar. Koude rillingen gaan door mijn lichaam als elektriciteit door een draad. Ik kijk naar beneden en onder mijn voeten zie ik alleen heel in de verte struiken en gras.

Grote druppels regen vallen naar beneden. Al snel is mijn korte vale spijkerbroekje en roze katoenen hemdje doorweekt. Als natte doeken hangen de kledingstukken op mijn lijf.

Waarom wilde ik eigenlijk mee? Ik had ook beneden kunnen blijven bij mijn moeder, tante en nichtjes. Ik moest weer zo nodig met mijn vader mee, nieuwsgierig als ik was naar wat daar boven op die berg zou zijn. Helemaal beneden zag de berg er zo prachtig uit met de rotsachtige toppen vol sneeuw en ijs. Het was alsof ik voor het eerst weer bergen zag. Dus ging ik als stoer meisje mee met de kerels naar boven. Zo stoer voel ik me nu niet meer. Ik voel mijn ogen waterig worden en kijk naar beneden. De afstand tot de grond lijkt nu zelfs nog verder dan even ervoor.

De volgende klap onweer gaat via mijn oren door het hele lichaam. Er komt er een vreemd geluid uit mijn keel. De kreet van een gewond knaagdier. De bliksem heeft het dit keer niet op het kastje voorzien, maar een ander doel uitgekozen. Mijn ogen en neus volgen de rokerige brandgeur en ik zie een klein houten schuilhutje: het volgende slachtoffer.

De tijd sloft voorbij. Mijn vader roept naar mij dat het allemaal goed zal komen. Mijn oom, de ervaren bergwandelaar, weet het antwoord niet als mijn vader hem vraagt of de bui blijft hangen tussen de bergen. Hij haalt zijn schouders wat schokkerig op. Zowel mijn oom als vader schuiven onrustig heen en weer op de stoelzitting. Hun kleding is een aantal tinten donkerder door de regen.

Met een paar stevige schokken komt de lift in beweging en net zo plotseling staat hij weer stil. Mijn billen schuiven over de glibberige en natte stoelzitting van rood kunststof. Even denk ik dat ik naar beneden ga vallen, zó onder de metalen buis door die hard en koud tegen mijn maag drukt.

De hemel heeft een enorme bak water op de kop gezet. Van aparte druppels kun je niet meer spreken. Met bevende en ijskoude vingers probeer ik de drijfnatte slierten haar uit mijn ogen te houden. Het lijkt alsof ik onder water zwem met mijn ogen open.

Bibberig gaat het stoeltje eindelijk weer vooruit. Mijn vader kijkt triomfantelijk om en steekt zijn duim op. Mijn duim lijkt niet meer van mij te zijn, net als mijn benen en armen. De kou trekt van beneden naar boven en alleen mijn wangen voelen nog warm. Gelaten staar ik naar mijn knieën.

Een donkere man met verweerd gezicht tilt mij in het bergstation uit het stoeltje en wrijft met zijn ruwe eeltige handen over mijn kletsnatte bovenarmen. Met een vriendelijke gezicht mompelt hij wat onverstaanbaars. ‘Mujca,’ zegt hij nu wat harder tegen mij, drie keer achter elkaar. Zo heet hij. De lichtblauwe handdoek die ik van hem krijg, voelt dun en korrelig aan. Voorzichtig hang ik hem om mij heen.

Onze auto staat op de parkeerplaats alsof er niets is gebeurd. De zwarte neplederen bekleding heeft nog nooit zo warm en veilig gevoeld. Ik nestel me in de hoek van de achterbank. Mijn koortsige wangen druk ik met een zucht tegen het koele raam.

‘Dat was nog eens onweer,’ zucht mijn vader en hij knipoogt naar mij. Ik knik maar wat en doe mijn ogen dicht. De energie stroomt uit mij weg als water door een doucheputje. Ik adem rustiger en mijn lichaam ontspant zich. Mijn oogleden voelen zwaar als beton en het geluid van de automotor klinkt zachter en zachter…

Met een knal vliegt het metalen deurtje dicht van het elektriciteitskastje. Ik vlieg overeind.

 

Nooit meer zwemles

Nooit meer zwemles

‘Jasmijn!!! Waar ben je?’ De harde stem van de badmeester echode door de gangen van het zwembad. ‘Jasmijn!’ Ook haar moeders hoge trillende stem riep haar naam. Jasmijn drukte zich nog verder tegen de muf ruikende kartonnen doos aan en mompelde: ‘Ik ga nooit meer naar zwemles.’

Jasmijn zuchtte. Ze was weggerend op het moment dat ze haar badpak aan had moeten trekken in de kleedkamer: De kelder in, door de lange donkere gang. Aangekomen bij het berghok had ze de sleutel in het sleutelgat zien zitten, had deze eruit gehaald en voorzichtig de deur opengedaan. Meteen had ze de deur van binnenuit op slot gedraaid.

Het was er aardedonker. Een klein streepje licht viel door een kapot raampje. Dit was een goede plek om onvindbaar te zijn. Naast een doos met oude rommel was Jasmijn neer gezakt,  haar hoofd op haar knieën.

Jasmijn

Het stof in de kelder kriebelde in haar keel. ‘Niet hoesten, niet hoesten’, mompelde ze. De lage stem van de badmeester veranderde in een zachte brom in de verte. Het geklikklak van haar moeders hoge hakken was nog amper te horen. Langzaam richtte Jasmijn haar hoofd op en keek de donkere kelder in.

‘Nooit meer naar die stomme zwemles. Ik lijk wel een reus tussen al die kabouters. Ik sta gewoon voor aap! Ik ben al acht en de meeste zijn nog maar vier.’ Jasmijn sprak zacht in haarzelf. Snel veegde ze een traan van boosheid weg. Ongedurig schoof Jasmijn heen en weer. Haar billen begonnen koud te worden. Hoe lang zou ze hier moeten blijven?

Opeens klonk vlakbij geschuifel. Jasmijn keek in de richting van het geluid. Weer hoorde ze geluid, nu geritsel. Jasmijn voelde hoe haar spieren verstijfden. Haar hart begon te kloppen in haar keel.

‘Hallo?’, fluisterde Jasmijn voorzichtig. Ze wilde niet nu al gevonden worden. Weer hoorde ze geschuifel. ‘Hallo!’, Jasmijn probeerde haar stem stevig te laten klinken. ‘Is daar iemand?’

‘Werkelijk, het is toch allemaal wat zeg …’ Jasmijns ogen waren groot als schotels. ‘Wie is daar?’ Jasmijn schoof dichter naar de vochtige kartonnen doos. Ze zag een donkere schaduw naast haar. Een schaduw zo groot als de tuinkabouter van haar oma bij de voordeur.

CarlosII

De schaduw begon te praten. ‘Goedemiddag vreemd mensenkind met twee benen. Mijn naam is ridder Carlos uit Ratalonië. Ratalonië ligt aan de overkant van het blauwe meer. Als ik u niet ongerief, bent u misschien van de ratten besnuffeld?’

Langzaam raakten Jasmijns ogen gewend aan de schemer en ze zag de schaduw tot leven komen. Naast haar stond een rat. Een pratende met een helm op zijn kop. In zijn voorpootjes hield hij een lans vast. Zijn lange staart schoof traag over de stoffige vloer van het berghok.

Stotterend antwoordde Jasmijn: ‘Een rat die praat?’ Carlos leunde nonchalant tegen zijn lans. ‘Ik zie dat u niet bekend bent met het fenomeen pratende ratten?’ Jasmijn schoot in de lach. ‘Wat ben je een raar beest! Belachelijk … een pratende rat!’

‘Je! Je! Voor jou is het ridder Carlos en U.’ Carlos stampte met zijn achterpoten. Stofwolkjes stegen omhoog. ‘Respect voor ons ratten graag. Jij bent groot en misschien niet idioot. Maar klein is ook fijn. Ratten zijn de intelligentste onder de levende wezens. Een uil intelligent? Laat me niet lachen! Zijn woordenschat komt niet verder dan oehoe en hij eet veldmuizen. Dat getuigt werkelijk niet van een grote geest!’

Carlos R

Met een harde klap zette Carlos zijn lans rechtop. ‘Wat doe jij hier? Naast commentaar hebben op nobele ratten? Ik kom hier vaak en meestal ben ik hier alleen.’

Jasmijn liet haar schouders zakken. ‘Ik wil niet naar zwemles.’ De helm van Carlos zakte naar voren op zijn spitse snuit. ‘Zwemles?’ Jasmijn duwde voorzichtig zijn helm weer op zijn kop. ‘Ik kan niet zwemmen. Niet goed in ieder geval.’

Carlos deinsde naar achteren. ‘Je kunt niet zwemmen? Hoe is dat mogelijk! Van alle kwaliteiten die je als levend wezen kunt hebben, is zwemmen toch wel één van de allerbelangrijkste.’ Carlos trok bedachtzaam zijn spitse neus op. ‘Naast knagen en overal doorheen kruipen dan… Waarom kun jij nog niet zwemmen?’

Jasmijn boog haar hoofd en mompelde: ‘Ik durf niet zo goed. En mijn moeder vindt dat ik het moet leren. Maar er zijn alleen maar kleintjes bij de zwemles.’

‘Klein is fijn. Al is groot niet idioot!’ schreeuwde Carlos. Hij liep rood aan en slaakte een diepe zucht. ‘Je durft niet? Dat is vervelend. Je wilt niet voor veldmuis staan tijdens de zwemles.’ Jasmijn schudde sip haar hoofd. Carlos zag een traan in haar ooghoek zijn best doen om verstopt te blijven. ‘Lief mensenmeisje, durven is een kwestie van doen. Ga met mij mee naar het blauwe meer. Ik zal jou leren zwemmen als een rat!’

‘Blauwe meer? Waar is dat?’ Jasmijn keek Carlos verbaasd aan. ‘Door het gat in de muur en rechtdoor. Kom maar mee!’

Jasmijn slofte achter Carlos aan. Een paar seconden later stond hij stil voor een gat in de muur. Jasmijn keek verbaasd naar het gat. Naast dat ze deze nog niet gezien had, was het maar klein. ‘Daar kan ik toch niet doorheen?’ Vertwijfeld haalde Jasmijn haar schouders op. ‘Je maakt het gat gewoon groter, gewoon doen.’ Carlos ging haar voor.

Gat in de muur R

Voorzichtig pakte Jasmijn de zijkanten van het gat in de muur en duwde, duwde. Ze kon er al heel snel doorheen. Jasmijn schrok van de dikke staart die Carlos opeens leek te hebben. Carlos draaide zich om en Jasmijn gaf een gil. Carlos was opeens bijna net zo groot als haar. Was het gat groter geworden of zij juist kleiner? Ze trok haar schouders op.

Ze kropen door een soort tunnel en kwamen bij een tweede gat naar buiten. Na elkaar kropen ze er doorheen. Jasmijn viel zacht in het gras en het heldere daglicht prikte in haar ogen. Het gras rook groen. Voor haar lag het blauwe meer. Dat was duidelijk. Nog nooit had ze dit meer gezien.

‘Zo, die rare lappen uit. We gaan het water in.’ Jasmijn merkte dat ze het niet erg vond om haar kleren uit te doen. Ze stapte het water in en zakte tot haar buik in het water. Het voelde prettig fris na de stoffige kelder.

Carlos dook sierlijk in het water en zwom naar Jasmijn. ‘We beginnen met de rugslag.’ Carlos’ snuit stond ernstig. ‘Dat is het snelst geleerd.’ Carlos deed de slagen voor als een volleerd zwemmer. Jasmijn deed alles na. Samen oefenen ze tot Jasmijn het alleen kon.

‘En nu op je buik!’ Carlos voelde zich als een rat in het water. Door het enthousiaste voordoen van Carlos leerde Jasmijn snel. Ze vergat dat ze bang was. Zwemmen was veel leuker dan Jasmijn had gedacht!

Een tijdje speelden en oefenden ze door in het heldere blauwe water. Carlos zag dat Jasmijn het koud begon te krijgen. Ze rilde. Ze klommen uit het water en schudden zich droog. In het zonnetje lieten ze tevreden de laatste druppels verdampen.

‘Tijd om te gaan mensenkind. Je zwemt nu als een rat!’ Jasmijn trok haar kleren aan en Carlos pakte zijn lans.

Voorzichtig sloeg Jasmijn haar armen om de kleine dappere rat heen die nog steeds een stuk groter leek. ‘Dank je wel lieve Carlos. Zie ik je nog eens terug?’ Carlos schuifelde ongemakkelijk heen en weer. ‘Als je me weer wilt zien, zoek me dan in het berghok. Ik kom er vaak!’ Stoer rende hij weg.

Na het korte afscheid kroop Jasmijn door het eerste gat de tunnel in. Ze klom met weinig moeite door het tweede gat en was terug op de plek waar ze Carlos had ontmoet. Het berghok leek donkerder dan ooit. ‘Misschien is het al avond.’ Jasmijn zakte moe van het avontuur door haar knieën en ging zitten.  Ze legde de zijkant van haar hoofd tegen de kartonnen doos van eerder. ‘Even uitrusten’, zei ze zacht tegen haarzelf. ‘Dan ga ik mijn moeder zoeken.’ Jasmijns oogleden voelden zwaar.

Al snel vloog Jasmijn van schrik omhoog. Het gebons op de deur klonk hard en paniekerig. Ze hoorde de basstem van de badmeester en het vertrouwde geluid van haar moeder. ‘Jasmijn, ben je daar? Jasmijn!!’ Jasmijn wreef in haar ogen en pakte de sleutel uit haar broekzak. Voorzichtig stak ze de sleutel in het slot en opende de deur. ‘Oh Jasmijn!’ Haar moeder sloot Jasmijn blij in haar armen. ‘Ik was zo ongerust!’ De badmeester slaakte een diepe zucht, draaide zich om en liep hoofdschuddend naar boven.

‘Als je het echt zo vreselijk vindt, hoef je van mij nooit meer naar zwemles!’ Jasmijn glimlachte naar haar moeder. ‘Mam, ik ben groot en niet idioot. De anderen zijn klein en dat is fijn. Zwemmen is een enorm belangrijke kwaliteit. Durven is gewoon doen. Ik wil zwemmen als een rat en ben geen veldmuis. Ik ga naar zwemles.’

Jasmijn zag haar moeders blije ogen. ‘Gek kind.’ Hand in hand liepen ze samen naar buiten.

https_anaisallemeersch.files.wordpress.com201412olifant